Italië toont zijn schoonheid het mooist in het ritme van de fiets. Niet als een reeks toeristische hoogtepunten, maar als een land dat zich langzaam voor je openvouwt. Kilometer na kilometer. Vanaf Como, bij Milaan, reden we zuidwaarts naar Palermo op Sicilië. Op onze ranke racefietsen reden we steeds dieper een landschap binnen dat voortdurend van karakter veranderde. Eerst door het noorden, met zijn meren, villa’s en verzorgde oevers, later het ruigere midden van het land, en uiteindelijk het zuiden waar de zon harder leek te schijnen en de kleuren feller werden.
Juist op de fiets ervaar je hoe rijk en gelaagd Italië is. Je ziet niet alleen het grote decor van heuvels, zeeën en oude steden, maar ook de kleine overgangen daartussen: een verlaten plein in de middagzon, een verweerde gevel, een onverwacht kerkje, de geur van espresso in een bar waar de tijd nauwelijks lijkt te bewegen, en waar je vanzelf stopt en wordt overvallen door melancholie.
Soms kreeg die schoonheid voor ons een bijna verstilde eenvoud. Zoals op het kilometerslange groene fietspad langs de Adriatische kust, waar de zee voortdurend dichtbij bleef en de wereld even leek te bestaan uit licht, pijnbomen, lucht en water. Een route die rust gaf, ruimte, adem.
En dan weer anders, bijna verblindend, in Manfredonia: wit in de zon, helder, open en hoog boven de zee, alsof de stad zelf licht uitstraalde. Zo werd Italië voor ons meer dan een opeenvolging van landschappen en steden. Fietsend leerden we een land kennen dat niet alleen indrukwekkend en mooi is, maar ook intiem kan zijn. Een land dat zich gaandeweg hecht aan je geheugen. In beelden, geuren, onverwachte ontmoetingen en momenten van stilte.