Een paar maanden voordat we Onze Giro terug naar het noorden zouden vervolgen, moesten we Mattis laten gaan. Intens verdrietig. Zijn lichaam bleek uiteindelijk niet bestand tegen de agressieve leukemiecellen. Zelfs de beenmergtransplantatie bood geen uitkomst. Hij beschreef zijn strijd vaak als de beklimming van een hoge col:
“Van bocht naar bocht. Niet verder kijken dan de volgende bocht, en dan weer, en weer.”
Nog maar tweeënhalve week voor zijn overlijden zat hij met zijn vrienden op de fiets rond Gorredijk in Friesland. Oege had zijn huis beschikbaar gesteld, zodat Mattis daar kon verblijven terwijl zijn partner Brigitte en hun dochtertje Luna een week in de zon doorbrachten. Om even op adem te komen.
In dat weekeinde keken de mannen samen naar Parijs–Roubaix, waar Mathieu van der Poel na een indrukwekkende solo won. Er werd gelachen, gepraat en zelfs nog gefietst. Dertig kilometer door het mooie Friese landschap. Geen hoge snelheid, wel met het vaste ritme van hun onvoorwaardelijke vriendschap. Over de dood werd niet gesproken. Dat was ook helemaal niet aan de orde op dat moment. Er werd vooral vooruitgekeken. Ook maakten de vrienden mooie nieuwe fietsplannen voor de toekomst.
Inmiddels kennen we de afloop. We weten hoe onvoorspelbaar en meedogenloos kanker is. Een paar maanden later reisde ik, met een zwaar gemoed, samen met Oege en Judith terug naar Italië om Onze Giro te hervatten. In de overtuiging dat Mattis niets anders zou hebben gewild.
Ik nam een paar wielersokken mee van Mattis, die ik kort na zijn overlijden van Brigitte had gekregen. Hoge witte sokken natuurlijk. Op de linker stond Cranck, op de rechter Jorum. Vrij vertaald: krankjorum. Zo had hij ons plan gekarakteriseerd om op de weg terug naar Milaan dwars door Napels te fietsen. “Jullie zijn gek. Krankjorum. Daar zijn jullie echt te oud voor.” Hij kende de stad. Ruw, onvoorspelbaar, geen plek voor beginners.
En toch reden we, een paar maanden na zijn begrafenis, ik met zijn sokken aan mijn voeten, dwars door Napels. Krankjorum natuurlijk. Maar bovenal een eerbetoon aan mijn veel te vroeg overleden zoon. We stopten bij het wereldberoemde café Gambrinus en proosten daar met de beste koffie ter wereld. Op Mattis.
Nog meer dan in het eerste deel fietste Mattis met ons mee op de terugweg naar het noorden. Langs de Amalfikust. Door Napels en door Rome. Over de Toscaanse heuvels, Florence en via de sprookjesachtige Cinque Terre kust naar San Remo. En door en over de Alpen naar Milaan. Onzichtbaar, maar voelbaar, zijn stem en zijn humor dichtbij.
Want krankjorum werd gaandeweg méér dan een woord. Het werd een motto. Een manier van rijden en misschien ook van leven. Het verwoorden van iets wat eigenlijk te groot, te zwaar of te onmogelijk leek. En het dan tóch doen. Mattis had ons geleerd dat je niet naar de hele berg moet kijken, maar alleen naar de volgende bocht. Die les droegen we mee bij elke etappe, of het nu over de Via Appia naar Rome ging, of over de paswegen in de Alpen richting de Duomo van Milaan.
De weg naar het noorden bracht nieuwe schoonheid en onverwachte ontmoetingen. We zouden opnieuw ontdekken hoe Italië zich telkens anders toont: de chaos van Napels tegenover de rust van Toscaanse heuvels, de grandeur van Rome tegenover de verstilling van Ligurische dorpjes. Maar steeds opnieuw die pedalen, dat ritme, dat eindeloze trappen.
Wie met ons ‘meereed’ van Como naar Palermo, weet inmiddels dat Onze Giro méér is dan een reis door een land. Het is ook een reis door tijd, herinnering, verlies, vergankelijkheid en vriendschap. In het tweede deel neem ik de lezer mee naar een Italië dat ons niet alleen fysiek uitdaagde, maar ook innerlijk veranderde. De weg naar Milaan zou een weg vol afscheid en hernieuwde verbondenheid worden. Vol rauwe emoties en stille momenten van troost.
Daarover, en over de schoonheid van een tocht die krankjorum leek, gaat het vervolg van Onze Giro: van Paolo in het diepe zuiden tot de finish in Milaan.
Krankjorum.
Zo noemde Mattis ons plan.
Gek, onhaalbaar, te groot voor twee mannen op leeftijd.
En toch gingen we.
Bocht na bocht.
Etappe na etappe.
Wat begon als een tocht langs grenzen, werd een reis voorbij grenzen:
van land en landschap,
van verlies en herinnering,
van vriendschap en tijd.
De weg naar het noorden wachtte
Met chaos en schoonheid,
met bergen en zee,
met Mattis onzichtbaar naast ons.
Daar, in Milaan, voor de Duomo,
lag de streep die wij nog moesten halen.
En ergens onderweg ben ik gaan begrijpen wat de lange weg naar dichtbij werkelijk betekent…