Na vier jaar en duizenden kilometers begint zondag het laatste blok van Onze Giro. Van Ceriale via de Alpen en Como naar de finish bij de Duomo in Milaan.
Er zijn fietsers die in een paar uur van Milaan naar San Remo snellen. Tadej Pogačar bijvoorbeeld. Eerder dit jaar had hij precies 6 uur, 35 minuten en 49 seconden nodig om de bijna 300 kilometer van Milaan–San Remo af te leggen.
Wij doen het iets anders.
Vanaf komende zondag vervolg ik samen met Oege Boonstra Onze Giro. Het laatste blok van onze epische fietstocht langs de grenzen van Italië, waaraan we in 2022 begonnen. Van San Remo naar Milaan. Andersom dus. Of, om precies te zijn: van Ceriale naar Milaan.
In Ceriale, vlak bij San Remo, stappen we weer op de fiets. Eerder dit jaar finishten we al in San Remo, nadat we tien dagen daarvoor waren vertrokken uit Bolsena, zo’n 130 kilometer ten noorden van Rome.
Voor dit laatste blok hebben we negen dagen uitgetrokken. Bijna 800 kilometer en in totaal bijna 12.000 hoogtemeters. Het letterlijke hoogtepunt ligt op de Colle del Nivolet, hoog in de Italiaanse Alpen. Die dag alleen al wachten ons zo’n 3000 hoogtemeters.
Vier jaar, zeven fietsblokken, 59 etappes en bijna 6.000 kilometer door Italië. Onze Giro eindigde op 12 oktober 2026 onder de Duomo van Milaan. Wat vier jaar geleden begon als een avontuurlijk fietsplan van twee vrienden, werd onderweg een reis over vriendschap, verlies en de kunst van het verdergaan. Een terugblik en een vooruitblik op ons nieuwe boek: Onze Giro – Krankjorum naar het Noorden.
Een finish met een voorgeschiedenis
Plotseling stond hij daar. De Duomo van Milaan. Badend in het zinderende namiddaglicht. Blauw, goed en glinsterend. Na bijna vijftig kilometer over onaantrekkelijke, drukke wegen vanaf Como reden we op maandag 12 oktober het plein op met een van de indrukwekkendste kathedralen van Italië.
Het zat erop. Onze Giro. Begonnen in augustus 2022 in Como, geëindigd in oktober 2026 in Milaan. Negenenvijftig etappes, verdeeld over zeven fietsblokken. Vijfduizend kilometer langs de grenzen van Italië. Langs kusten en imponerende bergketens. Vijftigduizend hoogtemeters in totaal. Van de Alpen tot en met Sicilië en daarna weer terug naar het noorden.
Toch was het niet de Duomo die uiteindelijk de meeste indruk op mij maakte tijdens deze laatste dag. Dat was de lunch, enkele uren eerder, bij Hotel Marco's aan het Comomeer. Op de plek waar Oege Boonstra en ik vier jaar geleden aan Onze Giro begonnen.
Daar hield mijn lieve Kaya een indrukwekkende toespraak. Over doortrappen. Een woord dat voor ons inmiddels een heel andere betekenis heeft gekregen dan alleen maar blijven fietsen.
Om dat te begrijpen moeten we eerst terug naar de zomer van 2021, toen ik nog volop bezig was met de Olympische COVID Spelen van Tokyo en eigenlijk nog geen enkele ruimte in mijn hoofd had voor wat ik na die Spelen, tijdens mijn nakende pensionering, zou gaan doen. Toen was daar Oege.
Oege Boonstra, zoals hij zelf zegt: ‘een voetballer op een fiets.’ Hij had een plan. En wat voor een plan.
Een krankzinnig plan
Het idee was even eenvoudig als ambitieus. We zouden Italië rondfietsen. Zo veel mogelijk langs de grenzen van het land, over kleine wegen, drukke wegen, slechte wegen. Dwars door landschappen die je vanaf de doorgaande routes nauwelijks ziet. Geen wedstrijd. Geen haast. Wel etappes, een route, een einddoel en vooral veel nieuwsgierigheid.
Oege en ik kenden elkaar al jaren. We deelden onze liefde voor de wielersport, voor reizen, voor sport, voor de media. En uiteindelijk ook voor Italië, dat ik vanaf de fiets heel goed leerde kennen. En we hadden inmiddels ontdekt dat samen langdurig op een racefiets zitten ook een uitstekende manier is om een vriendschap te onderhouden.
Judith van Gilst, Oeges levenspartner maakte vanaf het begin deel uit van ons kleine reisgezelschap. Zij zorgde onderweg voor de ondersteuning, de logistiek en nog veel meer.
Al gauw ontwikkelden zich onderweg vaste rituelen. De eerste koffie na een kilometer of veertig. De ‘schaamtegrens’ voor eerst. Lunch om een uur of een, bij voorkeur op een terras in een dorp waarvan we een uur eerder het bestaan nog niet kenden. Het bestuderen van de route voor de volgende dag. Altijd maar weer fijn slijpen. De discussies over het weer. Het eindeloze zoeken naar wegen waarop je prettig kunt fietsen.
En dan was er Mattis, mijn jongste zoon.
Mattis was een fervent en ervaren fietser en dacht vanaf het begin mee over Onze Giro. Over de routes, de beklimmingen en de vraag of bepaalde plannen eigenlijk wel verstandig waren. Zijn oordeel was meestal helder, regelmatig geestig en soms weinig diplomatiek.
Hij had bovendien een uitgesproken opvatting over steile hellingen. Alles boven de vijftien procent was eigenlijk geen goed idee. Een wijsheid die ik tijdens Onze Giro vaak heb moeten onderschrijven.
We begonnen met de Alpen. Vanuit Como reden we richting Bormio en de Stelvio, met 2757 meter een van de hoogste en beroemdste bergpassen van Italië. Daarna volgden Merano, de Dolomieten en de lange weg naar Triëst. Het was het begin van een ontdekkingsreis die ons in de volgende fietsblokken steeds verder naar het zuiden zou voeren.
Italië voorbij de ansichtkaart
Wie Italië alleen kent van Rome, Florence, Toscane of de Amalfikust, kent een prachtig land. Maar onderweg leerden we dat er nog een ander Italië bestaat. Een land van kleine dorpen, vergeten binnenwegen, verlaten gebieden en mensen die verbaasd opkijken wanneer twee Nederlandse fietsers hun dorp binnenrijden.
We fietsten langs de Adriatische kust, door de Veneto, richting de hak van de Italiaanse laars. We ontdekten het ruige binnenland van Abruzzo, de bijzondere landschappen van Gargano en de bergen van de Sila in Calabrië. We klommen, daalden, verdwaalden zo nu en dan, dronken ontelbare espresso's en aten kei-lekkere pasta op plekken waar geen reisgids ons ooit naartoe zou hebben gestuurd.
Soms was Italië betoverend mooi. Soms rommelig, luidruchtig en volkomen onbegrijpelijk. Vaak was het allemaal tegelijk. We leerden vooral dat fietsen een bijzondere manier van reizen is. Je beweegt langzaam genoeg om iets van de omgeving te begrijpen, maar snel genoeg om iedere dag weer in een andere wereld terecht te komen. Niet de beroemde bezienswaardigheden bleven altijd het langst hangen. Juist de ontmoetingen, de kleine voorvallen en de onverwachte gesprekken maakten de reis bijzonder.
Onderweg veranderde er echter iets veel ingrijpenders dan het landschap.
De reis die veranderde
Mattis werd ziek. Ernstig ziek.
Onze Giro ging verder, maar de betekenis ervan veranderde. Waar de tocht aanvankelijk vooral draaide om Italië vanaf de fiets, avontuur, vriendschap en nieuwsgierigheid, kreeg hij een andere lading. Ook wanneer we onderweg waren, was Mattis nooit ver weg.
Op 27 april 2024 overleed hij aan leukemie.
Het is nog altijd moeilijk om die zin op te schrijven.
Tijdens de eerste vier fietsblokken van Como naar Palermo had Mattis, soms op afstand, nog deel uitgemaakt van onze onderneming. Hij leefde mee, dacht mee en voorzag onze plannen geregeld van commentaar. Via berichtjes of soms telefonisch vanaf zijn ziekbed. Daarna moesten we zonder hem verder.
In het voorjaar van 2025 bereikten we Palermo op Sicilië. Daarmee kwam de eerste helft van Onze Giro tot een einde. Het verhaal van Como naar Palermo verscheen in maart 2026 als boek: Onze Giro – De lange weg naar dichtbij. Die titel was niet toevallig gekozen. Want soms brengt een reis je niet alleen naar andere plaatsen, maar ook dichter bij wat werkelijk belangrijk is. Ik leerde bovendien dat die lange weg naar dichtbij nooit ophoudt.
Toch waren we nog niet klaar met Italië.
We wilden terug naar het noorden. Langs de westkant van het land, via Calabrië, Campanië, Napels, Rome, Toscane en Ligurië. En uiteindelijk weer door de Alpen naar Como. Daarna zou Milaan het eindpunt worden.
Een nieuwe route. Een ander verhaal.
Krankjorum naar het noorden
Tijdens onze tocht door Napels fietste ik met de hoge witte sokken van Mattis. Op de ene stond 'crank', op de andere 'jorum'.
Dat woord paste uitstekend bij Napels. Een stad die zich nauwelijks iets aantrekt van de regels die elders in Europa het verkeer enigszins overzichtelijk houden. Scooters schieten uit alle richtingen voorbij. Auto's zoeken ruimte waar die niet bestaat. En daartussen fietsen wij met onze racefietsen.
Mattis zou het krankjorum hebben gevonden.
Dat is ook precies wat het was. Maar het was tegelijk fantastisch. Maar we wilden per se koffiedrinken bij Café Gambrinus. Misschien we de beroemdste koffietent ter wereld.
Op onze weg naar het noorden wisselden de landschappen en de stemmingen elkaar voortdurend af. Na de uitbundigheid en chaos van Zuid-Italië volgden Rome, het landschap van Toscane, Siena en de Strade Bianche, San Gimignano en Lucca. We reden door de Cinque Terre, langs Genua en uiteindelijk naar San Remo.
Daar beklommen we de Cipressa en de Poggio. Namen die iedere wielerliefhebber kent van de klassieker Milaan–San Remo. Wij reden in de omgekeerde richting. We moesten immers nog terug naar Milaan, en wilden dat vooral niet via de kortste weg doen.
Dat ik de titel van ons tweede boek inmiddels hadden gevonden, mag duidelijk zijn.
Onze Giro – Krankjorum naar het Noorden.
De laatste negen etappes
Begin oktober 2026 keerden we terug naar Ceriale aan de Ligurische kust in de buurt van San Remo, waar we ons zesde fietsblok hadden beëindigd. Nog negen etappes voor de boeg. Het plan was bijna 800 kilometer fietsen, met volgens onze routeplanning ruim 11.000 hoogtemeters.
We begonnen meteen met een stevige overgang van de Middellandse Zee naar de heuvels van Piemonte.
Het land veranderde snel. De kust maakte plaats voor het glooiende achterland, kleine dorpen en eindeloos draaiende binnenwegen. Bij Monforte d'Alba verschenen de eerste uitgestrekte wijngaarden. We waren in de Langhe aangekomen, het thuisland van de beroemde Barolo-wijn.
De volgende ochtend begon voor mij in het café van ons hotel Grappolo d'Oro. Half acht. Het ontbijt moest nog beginnen, maar in het café waren de inwoners van Monforte hun maandag al luid gebarend aan het doornemen. De uitbater zette een klein kopje sterke koffie voor mij neer. Later nog een.
Ik las de krant en stuurde een bericht naar een goede vriend die die dag opnieuw een chemokuur moest beginnen. Machteloosheid overviel mij en dat moet de uitbater hebben gemerkt. Even waren mijn gedachten ver weg van Italië.
Toen ik wilde afrekenen, schudde hij zijn hoofd. De koffie hoorde al bij het ontbijt.
Ook dat is Italië.
Even later fietsten we tussen de wijnranken van Barolo en La Morra. De geur van gistende wijn hing nadrukkelijk in de lucht. De Nebbiolo-druiven waren geoogst en in de kelders was de nieuwe wijn in wording.
Ik vond het fascinerend. Oege was minder onder de indruk van de smaak van de Barolo. Te duur ook bovendien. Gelukkig heb ik er geen verstand van, dus daar hoefden we niet over te redetwisten.
Via Asti reden we verder richting Turijn. Piemonte bleek minder lieflijk dan het landschap op het eerste gezicht deed vermoeden. Iedere heuvel vroeg opnieuw om inspanning. Precies zoals wij het graag hebben.
De Alpen wachtten.
De berg die bleef liggen
Een van de hoogtepunten van het laatste fietsblok had de Colle del Nivolet moeten worden. Een indrukwekkende beklimming in het Gran Paradiso-gebied. Bijna dertig kilometer omhoog, ruim 2000 hoogtemeters en hellingen die plaatselijk de vijftien procent niet alleen aantikken, maar ook langere tijd vasthouden.
Meindert Landsmeer had zich inmiddels bij ons aangesloten. Ons pelotonnetje van twee werd er een van drie. Op de ochtend van de beklimming zaten we in Albergo Gran Paradiso in Noasca vooral naar de regen te kijken. Daar sijpelde het chagrijn naar binnen. Begrijpelijk.
Buiten was het koud. Heel koud. Hogerop sneeuwde het. Het zicht was bedroevend en de vooruitzichten voor de afdaling waren ronduit onaantrekkelijk.
Na kort crisisberaad besloten we niet te gaan fietsen.
Een verstandig besluit. We reden vervolgens met de auto naar boven, waar natte sneeuw, dichte mist en temperaturen rond het vriespunt ons gelijk gaven.
De Nivolet bleef liggen. Niet iedere berg hoeft bedwongen te worden. Sommige kun je beter bewaren voor een volgende keer.
Een dag later fietsten we richting Aosta. Dat werd een lange overgangsrit, waarin niet zozeer het landschap als wel het bedremmelde weer en de veranderde samenstelling van ons gezelschap het verhaal bepaalden.
Gelukkig volgde daarna nog wel een schitterende beklimming naar Cogne. Onderweg speelden de wolken met de besneeuwde bergtoppen van Gran Paradiso, hoog boven ons. De frisse afdaling namen we op de koop toe. De voorgenomen tocht naar Valnontey moesten we laten schieten omdat de weg gedeeltelijk was afgesloten. Dat scheelde ons uiteindelijk een kilometer of drie. Te verwaarlozen dus.
Ook een route op papier heeft uiteindelijk weinig te vertellen wanneer de werkelijkheid anders beslist.
Een koeienprocessie en een groter peloton
Op de weg van Aosta naar Biella kwamen we in Bard terecht in een opmerkelijke koeienprocessie. Grote dieren, hels kabaal van de bellen en een dorp dat voor even volledig in het teken stond van een lokale traditie.
Het was op de dag dat Bauke Mollema bij de start van de Ronde van Lombardije door zijn collega's werd geëerd. Wij kregen geen huldiging. Dat zou ook wat overdreven zijn geweest. De koeien hadden belangrijker zaken aan hun hoofd.
Ondertussen groeide ons kleine peloton. Vanaf Biella reden ook Loes Nijssen en Ronald Keus met ons mee. Dierbare vrienden van Kaya en mij, die ook Mattis heel goed hebben gekend. Ronald was als gepensioneerd arts bovendien iemand bij wie Mattis geregeld advies zocht.
Op weg naar het Lago Maggiore trok ik opnieuw Mattis' witte sokken aan. We waren inmiddels met vijf fietsers onderweg. Maar eigenlijk waren we met z'n zessen.
Mattis was erbij.
Niet alleen door die sokken. Hij was erbij in onze gesprekken, in de herinneringen en in de wetenschap dat hij dit avontuur van harte had meegemaakt en waarschijnlijk van passend commentaar zou hebben voorzien. Het was bijzonder om de laatste dagen met goede vrienden te kunnen fietsen. Wat jarenlang toch vooral een onderneming van Oege en mij was geweest, werd langzamerhand een gedeelde belevenis.
Kaya en Blanca sloten eveneens aan. En tijdens de allerlaatste etappe kwamen ook onze Belgische vrienden Heidi Monseré en Kristof de Beats meefietsen. Ze runnen een hotelletje aan de voet van de iconische Col de la Bonette. Mattis kwam daar graag.
Zeven fietsers op weg naar eerst Como en vervolgens Milaan.
Of, zoals ik het liever zag, acht.
Altijd blijven doortrappen
De laatste ochtend begon weinig verheffend. Oege had opnieuw een gebroken spaak in zijn achterwiel. Weer een slag in het wiel. Gelukkig vonden we een fietsenmaker die het euvel snel kon verhelpen.
Daarna reden we door het Lombardische landschap naar Como. Fenomenale uitzichten, venijnige klimmetjes en een sprookjesachtige afdaling naar het Comomeer. Over dezelfde weg waar de profrenners twee dagen eerder tijdens de Ronde van Lombardije nog omhoog waren gereden.
Op het asfalt stonden de aanmoedigingen voor hen nog geschreven.
En toen waren we weer bij Hotel Marco's, waar vier jaar eerder Onze Giro begon.
Daar vertelde Kaya tijdens de lunch over doortrappen.
Doortrappen. Wat een mooi en betekenisvol woord. Jaren geleden noemde mijn maat Maarten Ducrot dat woord aan de vooravond van mijn eerste deelname aan Alpe d'HuZes. Gewoon blijven trappen, dan kom je er vanzelf.
Dat was in de eerste plaats bedoeld als een praktische wielertip.
Maar Kaya gaf die woorden een veel diepere betekenis. Ook wanneer het leven tegenzit, wanneer je met verdriet en verlies wordt geconfronteerd, moet je proberen verder te gaan. Door ervaringen te delen, verhalen te vertellen, nieuwe herinneringen te maken en naar de toekomst te blijven kijken.
Door blijven trappen, ook als het moeilijk is en zelfs wanneer je je kind hebt verloren.
Dat is geen eenvoudige opdracht. Het betekent al helemaal niet dat het verdriet verdwijnt.
Maar je kunt wel proberen door te leven zonder achter te laten wat je dierbaar is.
Met die woorden in ons hoofd stapten we na de lunch opnieuw op de fiets.
De laatste vijftig kilometer naar Milaan waren bepaald geen feest. Drukke wegen, veel verkeer, weinig plezier. Er was geen alternatief. Dus we op een lint achter elkaar op weg naar het centrum van Milaan.
Tot plotseling de Duomo voor ons opdook.
Daar eindigde Onze Giro.
Een verhaal dat nog geschreven moet worden
Vier jaar na onze eerste kilometers in Como zijn Oege zit het erop. We zijn niet meer dezelfde mensen.
We hebben Italië op een bijzondere manier leren kennen. De bergen en de kust, de wijngaarden en de oude steden, maar vooral de gewone mensen en het dagelijkse leven. We hebben heel veel plezier gehad. Soms afgezien. Ontdekt hoe waardevol een jarenlange vriendschap kan zijn wanneer je samen iets onderneemt.
Onderweg hebben we ook ervaren hoe dicht levenslust en verdriet bij elkaar kunnen liggen.
Ik denk dat dat wel de belangrijkste ontdekking is van Onze Giro. Dat je het leven niet eerst op orde hoeft te hebben voordat je weer kunt genieten van wat het te bieden heeft.
De tocht is voltooid.
De verhalen nog niet.
De komende maanden ga ik schrijven aan het tweede deel van Onze Giro. Over onze terugreis van Zuid-Italië naar het noorden. Over Napels en Rome, Toscane en Ligurië, de Alpen en de laatste kilometers naar Milaan. Over fietsen, Italië, vriendschap en alles wat onderweg onverwacht op ons pad kwam.
En natuurlijk over Mattis. Niet als iemand die voortdurend in het verhaal moet worden opgevoerd, maar als iemand die bij deze reis blijft horen.
Het nieuwe boek krijgt als titel Onze Giro – Krankjorum naar het Noorden en moet in het voorjaar van 2027 verschijnen.
Na de finish in Milaan stuurde Kristof ons een bericht. Hij bedankte ons omdat hij heel even deel had mogen uitmaken van de warmte, de verbondenheid en het avontuur. Met het gevoel, schreef hij, dat Mattis voor altijd ergens met ons mee naar boven fietst.
Mooier had ik het niet kunnen zeggen.
Onze Giro is afgelopen.
Het doortrappen niet.