Lucca achterlaten viel ons zwaarder dan gedacht, al keken Oege en ik uit naar het vervolg van Onze Giro langs de Noord-Italiaanse Middellandse Zeekust. Cinque Terre, de Bloemenrivièra, Genua en Sanremo lagen voor ons. Maar eerst moesten we afscheid nemen van Lucca. Voor mij de parel van Toscane. Lucca heeft geen monument dat alle aandacht opeist, geen plein dat zich groter maakt dan het is, geen theatrale overdaad zoals Florence of Siena die soms wel kennen. De schoonheid van Lucca zit in de maat. In de groene ring van de vestingmuren, in het vanzelfsprekende ritme van straatjes, pleinen, kerken, gevels, luiken en terrassen. Je kunt er dwalen zonder doel en toch telkens het gevoel hebben dat je precies op de goede plek bent.
Door Gerard Dielessen
Maar Onze Giro is geen reis om ergens te blijven. Dus lieten we de beschutte intimiteit van Lucca achter ons en reden we terug naar de kust. Nou ja, niet meteen. Eerst bleek de achterband van Oege lek, precies op het moment dat het hek van ons fraaie onderkomen zich opende en wij westwaarts wilden vertrekken. Ook dat hoort bij een lange fietstocht. De dag begint niet altijd met uitzicht, snelheid of avontuur. Soms begint hij gewoon met een binnenband.
Voor ons lag een overgang: van het zachte binnenland van Toscane naar de ruigere rand van Ligurië, met al zijn kapen. Vanaf Viareggio volgden we een lang, niet overal even inspirerend kusttraject richting La Spezia. Lungomare na lungomare, met troosteloze hotels, rafelranden van badplaatsen en gebouwen die het zicht op de Middellandse Zee vaker ontnamen dan verrijkten. Maar de wind reed met ons mee. En wind is, zeker op de fiets, nooit zomaar decor.
Ik heb de wind nooit alleen als tegenstander gezien. Eerder een vriend. Met wind in de rug krijg je vleugels. Met wind tegen wordt alles eerlijker. Dan gaat het om klein worden, je cadans vasthouden, niet vechten tegen wat groter is dan jij. En bij zijwind is het opletten geblazen, zeker met hoge velgen en in afdalingen. Een les die Mattis mij leerde bovendien. Zoals hij ook altijd zei: eerst wind mee, en terug tempo houden met de wind op kop. Daar word je alleen maar sterker van.
Na La Spezia begon het echte Ligurië. Een klim van ruim drieëneenhalve kilometer bracht ons naar het balkon van Cinque Terre. Een kringelweggetje omhoog, bocht na bocht, van zeeniveau naar ruim driehonderdvijftig meter. Eenmaal boven, na een tunnel, veranderde alles. Daar lag de zee niet meer als een brede blauwe vlakte naast ons, maar diep beneden, tussen rotsen, terrassen, hellingen en huizen die zich aan het landschap vastklampten. Hier leek het land niet op te houden bij de zee, maar erin te vallen.
Riomaggiore lag als een gekleurd nest tegen de rotsen geplakt. Oker, roze, geel en rood, dicht op elkaar, alsof de huizen elkaar moesten vasthouden om niet te vallen. Na Lucca, de lange kuststrook, de wind en de klim voelde aankomen daar bijna onwerkelijk. We waren terug aan zee, maar in een totaal ander Italië dan dat van de ochtend.
De volgende dag had eigenlijk een zware moeten worden: honderddertig kilometer, ruim drieduizend hoogtemeters, langs de Ligurische kust naar Genua. Maar de hemel dacht daar anders over. Regen, storm en onweer geselden de kust. We wisten zeker dat Mattis ons oorspronkelijke plan subiet zou hebben afgekeurd. Avontuurlijk, ja. Roekeloos, nee. Dus deden we wat hij ons met zekerheid had geadviseerd: aanpassen.
We daalden af naar Riomaggiore, namen de trein naar Sestri Levante en stapten daar weer op de fiets. Het werd alsnog een prachtige rit over de SS1, de Via Aurelia. Alleen die naam al roept geschiedenis op. De weg voert langs dorpen en steden met namen die klinken als beloftes: Chiavari, Rapallo, Portofino, Camogli. Soms hoog boven zee, soms vlak langs het water, dan weer door tunnels, bochten en bebouwing. Geen strakke fietsboulevard, maar een weg die zich voegt naar rotsen, baaien en de smalle ruimte tussen bergen en zee.
En dan Genua. Bepaald geen stad die zich gemakkelijk laat liefhebben. Daarvoor is zij te rauw, te druk, te verticaal, te ingewikkeld. Maar belangrijk is zij zonder twijfel. Eeuwenlang was Genua een machtige zeerepubliek. Een stad van kooplieden, reders, bankiers en zeevaarders. Waar Florence haar macht in marmer en schilderkunst wist om te zetten, deed Genua dat in schepen, havens, pakhuizen, stegen en paleizen. De stad kijkt niet naar het binnenland, maar naar de zee. Naar handel, vertrek, risico en terugkeer.
Als fietser voel je dat meteen. Genua maakt geen ruimte. Alles wringt zich door dezelfde smalle corridor: auto’s, scooters, vrachtwagens, spoorlijnen, tunnels, voetgangers en dus ook twee fietsers uit Nederland. Je moet haar binnenkomen zoals zij zelf is geworden: alert, beweeglijk en met enig ontzag voor de chaos.
Dat liep bijna verkeerd af. Vijf kilometer voor het einde raakte mijn voorwiel in een spleet in de weg en vloog ik een paar meter door de lucht. Ik landde letterlijk voor de voeten van twee carabinieri. Gelukkig bleef de schade beperkt tot wat schrammen en een bult op mijn voorhoofd. Misschien hielpen de sokken van Mattis, die ik ’s ochtends bewust had aangetrokken, toch. Op de ene stond Crank, op de andere Jorum. Krankjorum. Soms is bescherming niet meer dan een dunne laag stof, herinnering en geluk.
Na Genua werd de tocht lichter. Een ander ritme. Niet per se door de omstandigheden, want tussen Genua en Finale Ligure kregen we een snoeiharde wind op kop. Ik vermoed dat Mattis daar van boven de hand in had. Er moest toch ook even worden gebuffeld tijdens deze korte rit van iets meer dan zestig kilometer en vijfhonderd hoogtemeters over de Via Aurelia.
Op lange fietstochten wordt ritme belangrijker dan je vooraf denkt. Dat leerde ik al in 2014, tijdens Tour for Life, toen we met een groep fietsvrienden van Bardonecchia naar Heerlen reden. Ruim 1.200 kilometer, twintigduizend hoogtemeters, voor Artsen Zonder Grenzen. Daar ontdekte ik hoe waardevol voorbereiding is. Fiets schoonmaken, kleding wassen, apparaten opladen, bidons klaarzetten, route bekijken. Niet als dwang, maar als houvast.
Zo ging het ook nu. De dag begint niet wanneer je opstapt. Hij begint eerder. Bij het opladen van je fietscomputer. Bij het vullen van de bidons. Bij het kiezen van de juiste sokken. Bij het eerste kopje koffie. Bij het stille vertrouwen dat alles klaarstaat.
Langs de Bloemenrivièra kreeg dat ritme iets zachts. De Riviera dei Fiori: alleen die naam al klinkt alsof iemand de kust niet heeft beschreven, maar versierd. De zee bleef blauw in al haar schakeringen, de bergen kwamen dicht bij het water, het licht hechtte zich aan palmen, oleanders, bougainville en oude gevels. Een kust die geurt, die bloeit, die verleidt. Daar begrepen we opnieuw dat ritme niet hetzelfde is als haast.
In Finale Ligure zetten we de fietsen op het centrale plein. Eerst iets drinken. Daarna begon het ritueel opnieuw: douchen, wassen, opladen, eten, de route van morgen bekijken. Voorbereiden. De laatste etappe alweer van dit blok. Naar Sanremo. Over de legendarische Cipressa en Poggio.
Voor wielerliefhebbers hebben die namen een bijna mythische betekenis. Geen Alpenreuzen, geen cols waarop je urenlang naar adem zoekt, maar korte Ligurische heuvels die precies op de juiste — of verkeerde — plek liggen. In Milano–Sanremo komen ze na bijna driehonderd kilometer koers als laatste scherprechters in beeld. De benen zijn dan leeg, de concentratie is broos en de nervositeit maximaal.
Wij reden er niet na driehonderd kilometer koers, maar wel aan het einde van een blok van bijna 750 kilometer en ongeveer negenduizend hoogtemeters. Van Bolsena naar Sanremo. Van Toscane naar Ligurië. Van binnenland naar kust. Van witte wegen naar wielermythe.
De laatste etappe voerde opnieuw van kaap naar kaap. Capo na capo. Onderweg vroeg ik mij af wat mooier is: Amalfi of deze Bloemenkust. De Amalfikust overweldigt. De Bloemenkust verleidt. Amalfi is dramatiek: rots, zee, citroenen, diepte. De Riviera dei Fiori is nuance: palmen, bloemen, licht, oude badplaatsen en heuvels die direct achter de kust oprijzen. De ene kust grijpt je bij de keel. De andere legt langzaam een hand op je schouder.
En dan waren er ook nog de fietspaden. Bij Andora belandden we op een nieuw geasfalteerde strook, alleen voor fietsers. Onderdeel van een groter project waarbij de oude spoorlijn langs de Riviera di Ponente stap voor stap wordt omgevormd tot een autovrije fiets- en wandelroute. Waar vroeger treinen vlak langs zee reden, ligt nu asfalt voor fietsers, hardlopers en wandelaars. Soms door oude spoortunnels, soms pal boven het water, soms langs strandtenten, palmen en voormalige stations.
Niet alles was klaar. Bij Capo Berta stond een man in oranje werkpak. “Chiuso.” Gesloten. Dus moesten we alsnog klimmen. Ligurië herinnerde ons nog één keer aan haar oude wet: wie langs deze kust wil fietsen, moet bereid zijn omhoog te gaan.
Na de lunch in San Lorenzo al Mare wachtte de Cipressa. Eerst pasta en dubbele espresso, daarna naar boven. Ongeveer 5,6 kilometer klimmen, gemiddeld ruim vier procent. Geen monster, wel een naam die klinkt als koersgeschiedenis. Ik voelde mij sterk. De benen deden wat ze moesten doen. Elke pedaalslag was raak.
Daarna de Poggio. Nog geen vier kilometer, gemiddeld net geen vier procent. Maar juist daarin zit de mythe. Het is geen klim voor pure berggeiten, maar een toneel voor timing, lef en koersinstinct. Voor ons was het vooral een prachtige laatste hindernis. Voor de wielerwereld is het een plek waar seconden geschiedenis kunnen worden.
Samen daalden we af naar Sanremo. Naar de Via Roma, waar zee, palmen, koersgeschiedenis en Italiaanse elegantie samenkomen. En waar Judith, onze onvermoeibare begeleidster, ons stond op te wachten. Geen bloemen op het podium voor ons, geen speaker die onze namen omriep, geen juichend publiek achter dranghekken. Wel de Cipressa en de Poggio in de benen. De zee in de rug. En het diepe besef dat ook dit blok van Onze Giro weer onvergetelijk was.
Sanremo was een finish, maar geen eindpunt. Begin oktober gaan we verder. Dan wachten monumentale Alpencols en uiteindelijk de Grande Finale: Milano, bij de Duomo.
Misschien is dat wel wat fietsen ons telkens opnieuw leert: dat een finish nooit alleen een plek is waar iets ophoudt. Het is ook een plek om even om te kijken, adem te halen en te beseffen hoeveel weg er alweer achter je ligt.
En daarna begint langzaam, bijna ongemerkt, het verlangen naar de volgende horizon.