3-5-2026

Vijf dagen door Toscane 

Vijf dagen nadat ik samen met fietsmaat Oege Boonstra Onze Giro hervatte, voelt het alsof we niet alleen verder zijn gefietst, maar ook iets hebben teruggevonden. Van Bolsena naar Montepulciano, van Siena naar Florence en verder naar Lucca reden we door een Toscane van cipressen, witte wegen, steile poggi en oude steden. Onderweg reisden herinnering en gemis mee, vooral aan Mattis, die ook in dit deel van de route zichtbaar aanwezig bleef. Maar er was ook licht: vriendschap, humor, goede benen, onverwachte schoonheid en het eenvoudige geluk van onderweg zijn.
Dit is het verhaal van vijf dagen fietsen door Toscane — en van de lange weg die opnieuw naar dichtbij leidde. Morgen gaan we verder naar de zee. Naar Cinque Terre en dan in een paar dagen naar San Remo, waar we zullen finishen met dit zesde blok van Onze Giro 

Door Gerard Dielessen

Daar stonden onze fietsen weer. Klaar voor het vervolg van Onze Giro. Het is eind april. Na twee reisdagen vanuit Nederland arriveerden we in Montepulciano, hoog boven het Toscaanse landschap, op een langgerekte heuvelrug tussen de Val d’Orcia en de Val di Chiana. Niet helemaal op de plek waar we anderhalf jaar eerder waren gestopt. Dat was in Bolsena, op 3 oktober 2024. Regen, regen, regen. Maar eerlijk gezegd was dat niet de belangrijkste reden dat we toen de handdoek in de ring gooiden.Ik had heimwee.Het was vijf maanden na het overlijden van Mattis. Een zware en vaak donkere periode. Het sombere weer, de muziek van Snow Patrol — I Think of Home — en de voortdurende gedachte aan mijn veel te vroeg overleden zoon, die maar door mijn hoofd bleef spoken, maakten dat we eerder stopten dan we vooraf hadden bedacht.

Een plan is maar een plan.

Nu waren we terug. Uiteindelijk. Door een onwillige schouderblessure van mijn fietsmaat Oege konden we in 2025 niet op pad. Maar nu stonden we er weer. Twee fietsen. Twee oudere mannen. Goede benen. En een route die nog lang niet af was.

Cipressen als uitroeptekens

We begonnen deze hervatting in Montepulciano. Een stadje dat als een stenen schip boven het Toscaanse landschap ligt. Wie hier aankomt, ziet meteen waarom Toscane zo vaak is geschilderd, bezongen en gefotografeerd. Glooiende akkers, cipressen als uitroeptekens langs de weg, oude boerderijen op heuvelkammen, wijnranken in keurige rijen. En daarboven Montepulciano zelf, streng en elegant tegelijk.

Het was goed om daar niet direct op de fiets te springen. Twee nachten in een prachtig huis, met uitzicht over het landschap. Even acclimatiseren. Dat past bij de les die Mattis ons vanaf zijn ziekbed nog meegaf: slow biking. Niet alles hoeft hard. Niet alles hoeft sneller. Zeker niet als je ouder wordt en weet dat tijd niet alleen iets is wat je kunt meten, maar ook iets wat je kunt voelen. De volgende ochtend bracht Judith ons naar Bolsena. Daar pakten we de draad weer op. Op de verjaardag van Oege. Koffie met gebak, zoals dat hoort in Italië, en daarna de eerste kilometers noordwaarts, van Lazio naar Toscane.

We konden ruiken dat de lente begonnen was. Overal hing de zoete, frisse geur van seringen. De heuvels kleurden geel van het koolzaad. Tussen dat geel stonden klaprozen, jonge wijnranken, frisgroene akkers en steeds weer die strakblauwe hemel. Alsof deze dag niet alleen gefietst, maar ook geschilderd wilde worden.

En dan waren er de cipressen. Parmantige, donkere bomen, die scherp afstaken tegen het licht. Soms alleen, soms in lange rijen langs een oprijlaan of heuvelkam. Ze leken ons te verwelkomen. Succes, Oege en Gerard.

Tussen Bolsena en Montepulciano fietsten we over een landschap waarin de geschiedenis in lagen onder je wielen ligt. De Via Cassia, ooit een Romeinse verkeersader naar het noorden. En de Via Francigena, de middeleeuwse pelgrimsroute van Canterbury naar Rome. De ene weg gebouwd voor macht, handel en legers. De andere voor vergeving, hoop en verlossing. Wie hier vandaag fietst, rijdt dus niet zomaar door Toscane en Lazio, maar over eeuwen van beweging.

De hele dag waakte Monte Amiata over ons. De oude, uitgedoofde vulkaan lag als een donkere rug aan de horizon. Niet dreigend, eerder als een stille aanwezigheid. Aan het einde van de dag lag Montepulciano opnieuw hoog boven ons. Een beloning, maar wel een beloning waarvoor nog geklommen moest worden.

De tweede fietsdag bracht ons van Montepulciano naar Siena. Meteen bij het vertrek ging het steil omhoog. Bijna twintig procent. Mattis zei ooit dat alles boven de vijftien procent sowieso een slecht idee is. Hij had gelijk. En toch moesten we. Vaart maken, terugschakelen, staan op de trappers en hopen dat het snel voorbij is.

Oege schakelde te laat en stond direct geparkeerd. Toen ik hem achter mij hoorde roepen, verbeeldde ik mij dat Mattis zijn schaterlach niet kon inhouden. Het werd een dag van klimmen en dalen. Van Montepulciano naar Torrita di Siena, verder naar Poggio Colledino en daarna een bijna hemelse afdaling naar Asciano. Wind om mijn lijf, snelheid in de bochten en dat merkwaardige gevoel dat je jezelf even in de arm wilt knijpen: dat je dit als 71-jarige nog mag meemaken op een racefiets.

Na Asciano volgde de SP 438, de Lauretana, richting Siena. Een van de mooiste wegen van Toscane. Hier verandert het landschap in iets bijna buitenaards. De Crete Senesi: grijsblauwe kleiheuvels, open vlakten, eenzame boerderijen, witte wegen en cipressen als donkere leestekens in het licht. Geen lieflijk ansichtkaart-Toscane, maar een ruiger, kaler, wijder landschap. Een lint van asfalt door klei, licht en stilte.

Siena was de beloning aan de horizon.

Daar bleven we twee nachten. Niet om te rusten, maar om onze eigen Strade Bianche te rijden. Ons Monument. Ons eerbetoon.

Onze Strade Bianche

Toen we ruim twee jaar geleden onze Italiaanse fietsplannen met Mattis bespraken, kwamen we op het idee om ook de Strade Bianche te fietsen. Niet de professionele route van tweehonderd kilometer en ruim vierduizend hoogtemeters, maar een aangepaste versie. Een kilometer of tachtig. Vijftienhonderd hoogtemeters. Een paar iconische witte gravelstroken.

Mattis tekende die route voor ons. Niet lang daarna overleed hij.

Hij liet veel na. Ook de route van deze dag.

Ik deed ’s ochtends hoge witte sokken aan. Achterop, in gouden letters: Mattis. Een bewuste keuze. Want deze dag was meer dan een fietsdag. We reden over de San Martino in Grania, tien kilometer witte gravel. Later volgde nog een strook van bijna vijf kilometer, met steile stukken van rond de vijftien procent. Witte wegen, felle zon, stevige wind, glooiende heuvels, cipressen langs de kant. Klimmen van de ene poggio naar de andere.

In Toscane krijgt zo’n woord, poggio, ineens zijn volle betekenis. Het is niet zomaar een heuvel. Het is een verheffing in het landschap, een ronde rug waar het licht op blijft liggen, waar een boerderij, een rij cipressen of een dorp zich net iets dichter bij de hemel lijkt te bevinden.

Door de dag heen telden we negentien klimmetjes. De laatste bracht ons via de Porta San Marco naar de Piazza del Campo. Daar reed ik in mijn eentje een ererondje. Voor Mattis. Met trots, blijdschap, melancholie, verdriet en ook twijfel.

Mag ik wel blij zijn? Ik voelde dat het goed was. Dat hij trots was op zijn oude vader en zijn onafscheidelijke fietsvriend Oege.

Na Siena reden we verder naar Florence, via Monteriggioni en San Gimignano. Het was nog een hele kunst om Siena uit te komen. De smalle straatjes namen onze fietscomputers opnieuw in de maling, maar uiteindelijk wonnen wij het spel met de stad.

Ten zuiden van Siena was Toscane open, kaal en soms bijna onwerkelijk geweest. Ten noorden van Siena veranderde de toon. Het land werd groener, voller, bewoonder. Meer wijngaarden, meer olijfbomen, meer dorpen. Alsof de streek na Siena langzaam van een ets in een schilderij veranderde.

Monteriggioni stond er ineens: een ommuurde kroon op een heuvel. Binnen de muren leek de middeleeuwen zorgvuldig stilgezet. San Gimignano was druk, te druk misschien, maar achter de toeristische drukte bleef de kracht van het silhouet overeind. Veertien torens steken er nog altijd boven het heuvelland uit. Ooit waren het er tweeënzeventig. Rijke families bouwden hun rivaliteit liever in hoogte dan in bescheidenheid.

Daarna volgde Florence. Met onderweg nog een gebroken spaak in het achterwiel van Oege. Gelukkig vonden we Andrea, een fietsenmaker die met toewijding het wiel weer recht kreeg. Zo bleef de reis in balans. De volgende ochtend konden we verder. Eerst naar de Ponte Vecchio, daarna via Pisa naar Lucca.

Florence mag dan de stad zijn van kunst, macht en schoonheid; voor ons werd Firenze die ochtend vooral de stad van de vriendschap. Twee fietsen. Een brug. De Arno. Het stille besef dat je zulke dagen niet alleen beleeft.

 De Ponte Vecchio was een prachtige startstreep. Eigenlijk is het nauwelijks een brug. Meer een straat die toevallig over water loopt. Aan weerszijden hangen de winkeltjes boven de Arno. Ooit waren het slagers en leerbewerkers, later kwamen de goudsmeden. Boven alles loopt de Corridoio Vasariano, de geheime gang van de Medici. Beneden het volk, boven de macht.

Wij bleven beneden.

Vriendschap

Onderweg dacht ik na over vriendschap. Wat is dat eigenlijk, een vriend? Iemand met wie je lacht. Iemand die op je wacht zonder daar iets van te maken. Iemand die ziet dat je stil bent en niet meteen vraagt waarom. Iemand die naast je kan rijden, maar ook begrijpt dat je soms even alleen in je eigen hoofd moet zitten.

Judith haalde laatst een mooie Engelse zin aan: friendship halves your grief and doubles your joy. Of die nu van Cicero komt, uit een oud spreekwoord, of onderweg is blijven hangen, doet er minder toe. Hij klopt. Sinds het verlies van Mattis weet ik dat verdriet niet kleiner wordt omdat iemand er iets verstandigs over zegt. Het blijft. Het reist mee. Maar een vriend kan wel een stuk naast je rijden. Zonder het op te lossen. Zonder het groter te maken. Alleen door er te zijn.

Na Pisa reden we door naar Lucca. Een Toscaanse parel. We trokken onze finishlijn op Piazza dell’Anfiteatro, het ovale plein dat ooit een Romeins amfitheater was. Geen finish met vlaggen of applaus, maar een aankomst in een kring van geschiedenis.

Precies goed voor vijf dagen waarin Toscane, vriendschap, herinnering en vreugde voortdurend met ons meereden.

In Lucca eindigde deze etappe niet op een streep, maar in een cirkel.

 

Delen